Startpagina1 111111111111 Zaalconcerten 111111111 Zomerfestivals 11111111111 CD-tips 11111111111 Concertagenda 1111 11111111111 E-mail

maandag 31 oktober 2011

‘Gambian Space Program’ van Mdungu


Op Afro-Latino (2009) maakten we voor het eerst kennis met de Nederlandse band Mdungu.

‘Stomende afrobeat, hartverwarmende mbalax, een gastzanger uit Gambia die maar liefst 2 X voor kippevel zorgde, een jonge gitarist die met zijn magisch spel de sound van de legendarische vroege Rail Band met succes weer tot leven wist te brengen. Nostalgie troef dus, want ook de sfeer van de African Jazz pioneers (Zuid-Afrika) kwam even langs tijdens één van hun songs. Mdungu: een ware ontdekking!’

Mdungu werd in 2003 opgericht door Thijs van Milligen (altsaxofoon). De negenkoppige band bestaat verder uit Job Chajes (baritonsaxofoon en medeoprichter van de Amsterdam Klezmer Band), David Beukers (tenorsaxofoon en zang), Frank Gones (gitaar), Michiel Bel (gitaar), Merijn van de Wijdeven (basgitaar), Benoît Martiny (drums) en Ruben Montes (percussie). De enige Afrikaan in de band is Ebou Gaye Mada uit Gambia (percussie en zang). Hij kwam een vijftiental jaren geleden aan in Nederland met de gerenommeerde groep Ifang Bondi. Op Mdungu's eerste album Afro What!? (2009) houdt deze Ebou Gaye Mada zich nog op de achtergrond, we horen hem voornamelijk op Sabar en wat voorzichtige backingvocals. Het is gastzanger Sheikh Tijan Samba (ooit zanger bij Ifang Bondi) die op Afro-Latino ook van de partij was en op het  debuutalbum de vocalen een drietal keren voor zijn rekening neemt. Vooral het onvergetelijke ‘Boolow Gambia’ blijft een instant klassieker.

Over enkele weken verschijnt ‘Gambian Space Program’. Met dit tweede album laat de band een onmiskenbare groei horen. Ze slagen er met branie in om alle invloeden die we op de eerste cd aantroffen om te smeden tot een eigen, frisse sound. Ebou Gaye Mada krijgt een veel prominentere rol toebedeeld als zanger/tekstschrijver van de meeste nummers, die zonder uitzondering sterk overkomen en vooral mooi uitgebalanceerd. De gedurfde opener ‘Marock ‘n’ roll’ drijft op flinke percussie, waarna de blazers Oosterse horizonten verkennen. Ebou Gaye Mada slaat wat later noest aan het rappen en zingen in het Wolof. Dit is nog maar een opwarmertje, want het titelnummer slaat daarna in als een bom. In Gambian Space Program horen we hoe met een simpele, herkenbare Bo Diddley riff, aanstekelijke blazers, Senegambian wolof zang en Afrobeat invloeden een verslavende klassesong in elkaar gesmeed wordt. Top!

‘Planet Lagos’, ‘Saturn hat’ en vooral ‘Scandal’ tappen uit het jazzy Afrobeat vaatje, dat we van Mdungu al kenden. Zo goed als instrumentaal op enkele korte raps of gescandeerde stukjes tekst na. Het fijne gitaarwerk en de nostalgische blazers in ‘Saturn hat’ brengen de sfeer van de oude West-Afrikaanse orkesten opnieuw even in herinnering. In ‘Scandal’ is de glansrol weggelegd voor de blazers, doorspekt met talking drum. Tijdens ‘No can do’ leidt de lange kabbelende intro eerst naar een mooi vocaal middenstuk om in een soort dubreggae te eindigen. Het verwondert me dat Mdungu hiermee wegkomt zonder dat het geforceerd gaat klinken. Dat geldt ook voor ‘Clavesong’ dat start en eindigt in een latin jazzy mood, maar in het midden even transformeert in een complexe afropopsong. Naast het titelnummer krijgen we nog twee echte kanjers te horen. In het fantastische ‘Xarit’ doen de fijne gitaartjes en mooie melodie het in een Mbalax ritme, waar in de slotfase nog wat overheerlijke blazers overheen gegoten worden. ‘Buxamatoul’ vertrekt vanuit een reggaeritme met dubeffectjes. Lekkere blazers en retrogitaartjes leiden alweer naar een schitterend nummer in Senegambian stijl. Ongelooflijk knap met welk een vanzelfsprekend naturel Mdungu al die genres hier op elkaar afstemt en op die manier een unieke sound creëert. Afsluiter ‘Niyabinghi’ schiet naar mijn smaak wat te bombastisch uit de startblokken, maar mondt in het tweede deel gelukkig uit in opzwepende, ruwe Mbalax.

Mdungu bewijst met ‘Gambian Space Program’ dat er in Nederland superspannende wereldmuziek gemaakt wordt. Maak dit vooral live mee!

Gambian Space Program Club Tour 2011/2012
November 27: Release show Gambian Space Program, De Melkweg, Amsterdam
December 2: De Doelen, Rotterdam
December 9: De Piek, Vlissingen
December 10: Parkstad, Heerlen
December 16: Ekko, Utrecht
December 17: Paradox, Tilburg
January 13: Paard van Troje, Den Haag
January 19: Doornroosje, Nijmegen
January 20: Hedon, Zwolle
January 21: Atak, Enschede
January 27: Victorie, Alkmaar
February 3: Simplon, Groningen
February 4: Het Bolwerk, Sneek
February 10: W2, Den Bosch

Hieronder tonen we je twee live filmpjes, eerst het titelnummer ‘Gambian Space Program’ en daarna ‘Yamanaboole’. Dat nummer staat niet op één van de cd’s, het werd in 2010 als tussendoortje opgenomen n.a.v. de wereldcup voetbal in Zuid-Afrika.





Mdungu Website
Mdungu Myspace
Mdungu Youtubekanaal


Foto: Roel Determeijer

Solon Lekkas @ Art Base (Brussel)


Solon Lekkas, hij passeerde begin 2011 al eens in Art Base waar hij een diepe indruk naliet. Vandaar dat we het niet konden laten om hem nog een keertje in actie te zien. Het afgelopen weekend streek Lekkas opnieuw neer in België voor een concert in De Centrale (Gent) en twee optredens in Art Base. We opteerden voor de zondagmatinee in de hoop dat Solon op dat vroege uur (17:00 uur!) al wakker genoeg zou zijn.

De 65-jarige Solon Lekkas is een zanger uit de buurt van Mytilini, de hoofdstad van Lesbos. Dat Grieks eiland ligt in de Egeïsche Zee, niet ver van Turkije en het Midden-Oosten en dat is te horen aan de heel speciale muziek die er al eeuwenlang gemaakt wordt. Solon Lekkas staat geboekstaafd als de meest authentieke zanger van dit unieke, traditionele repertoire, dat bestaat uit Zeibekiko, Karsilama en amanédhes (café-Aman). Dat Solon Lekkas niet van de minsten is, bewijst het gegeven dat hij zich tijdens zijn concerten in België steevast laat begeleiden door twee topmuzikanten binnen het traditioneel Grieks repertoire, namelijk Kyriakos Gouventas (viool) en Andreas Katsigiannis (santour, een soort cimbalom).

Het optreden gisteren was ongeveer identiek aan dat van januari (zie verslag), maar het blijft een belevenis om een dergelijk monument live te mogen meemaken, omringd door zulke uitmuntende muzikanten! Deze keer herkende ik naast de klassieker Pergamos en de obligate afsluiter s'Agapo ook Manaki Mou, een oeroud liedje dat je hier kan beluisteren in de versie van Marika Papagika (1925).

Voor de rest ga ik er niet veel extra woorden aan vuil maken, maar heb - met dank aan 'Bobtje Blues Rebetika' - enkele filmpjes opgevist met fragmenten uit het concert van januari. Deze filmpjes geven een goed beeld van Lekkas’ typische manier van zingen en de gemoedelijke, losse sfeer (inclusief ouzo) die er onlosmakelijk mee verbonden is. Overbodig te vermelden dat ook gisteren het officiële concert gevolgd werd door een lange jamsessie tot in de vroege uurtjes...

Iassou, dervisi!





woensdag 26 oktober 2011

‘3 Kingdoms’ van DaMaDa


Via cdbaby maakte ik de laatste jaren kennis met verrassende wereldmuziek die in onze contreien totaal onbekend is. Het gaat meestal om artiesten die in de Verenigde Staten of Canada actief zijn. Via deze blog probeer ik ze een klein beetje onder de aandacht te brengen. Zie bijvoorbeeld La Gran Reunion, Navaz en Famoro Dioubaté.

DaMaDa is alweer zo een curieuze ontdekking. In dit trio uit San Francisco staat Luo Danna centraal, een zangeres/danseres die opgroeide in de Guangxi Provincie (Zuid-China). Daar legde ze zich al op jonge leeftijd toe op de zangtechnieken van een aantal specifieke bevolkingsgroepen of stammen. Kort na haar aankomst in de Verenigde Staten in 2009 richtte ze DaMaDa op, samen met Dave Mihaly (drums) en Marc Schmitz (gitaar). Beide muzikanten hebben er een jarenlange ervaring opzitten in jazz, rock, punk, avant-garde en nog zoveel meer genres. Voor Chinese muziekvormen draaien de heren in elk geval ook hun hand niet om. Marc Schmitz verbleef sinds 2004 vaak in China, waar hij Mandarijn leerde en zich verdiepte in Chinese volksmuziek en de mogelijkheden om die met een Westerse aanpak te combineren.

Op het nieuwe album ‘3 Kingdoms’ gaat DaMaDa aan de slag met melodieën die afkomstig zijn van Chinese minderheden zoals de Miaozu, Zhuangzu, Yi Zu en Xinjiang. Nu eens gaat het om volledige liedjes, dan weer zijn het flarden die als basis dienen voor originele improvisaties of maken ze er een totaal nieuwe song van. Het belangrijkste is dat het ongeveer zeventig minuten lang fris en enthousiast klinkt, een beetje met hetzelfde elan als een aantal new wave bands uit het eind van de jaren zeventig. Echt swingen doet het nauwelijks, de totaalsound is daarvoor te hoekig met enkel gitaar, drum en een beetje percussie, maar gelukkig kwellen ze de oren van de luisteraar niet met moeilijk experimenteel gedoe. Dit is bovenal ruwe, snedige muziek, voorzien van een punky attitude. DaMaDa beperkt zich overigens niet tot Chinese volksmuziek, ook Chinese rock, Chinese opera en zelfs Crest, een nummer van de Pakistaanse grootmeester Nusrat Fateh Ali Khan zetten ze naar hun hand zonder dat het geforceerd overkomt (hier te beluisteren). Luo Danna's stem laveert bij dit alles met vanzelfsprekend gemak tussen die van een Chinese operadiva en een punky lolita.

DaMaDa: het is weer eens iets heel anders! '3 Kingdoms' is te koop bij cdbaby.

Op hun website (www.damada.net) vind je een hoop audio fragmenten en video’s. Hieronder tonen we je ‘Gan Sheng Ling’ (een Chinees volksliedje), ‘Yi Wu Suo You - I have nothing’ (een Chinese rocksong uit het begin van de jaren tachtig) en 'Crest' (Nusrat Fateh Ali Khan). ‘Tang Te’ staat niet op het album, maar dat liedje kende ik dankzij de versie van Gong Linna, een ongelooflijk sterke Chinese zangeres die in 2009 voor één van de beste concerten van het jaar zorgde in Gent (Handelsbeurs) n.a.v. Europalia China.









zondag 23 oktober 2011

Lu Yu Cheng @ Art Base (Brussel)


‘East and West’

Op zaterdag 22 oktober stond er iets heel aparts op het programma bij Art Base. Lu Yu Cheng is een klassiek geschoolde sopraan uit Taiwan. Ze studeerde muziek aan de universiteit van Taiwan en vervolgens aan de conservatoria van Parijs en Brussel. Daar specialiseerde ze zich in Mozart en het klassieke Lied. Ze trad op bij de Opera van Luik en de Operastudio van de Brusselse Munt. Ze zong klassieke muziek van componisten zoals Benjamin Britten, Antonin Dvorak en Felix Mendelssohn.

Bij Art Base kwam Lu Yu Cheng met totaal andere muziek aanzetten. Ze werd op piano begeleid door François Lefèvre. De set was samengesteld uit vier delen. Eerst zong ze enkele liedjes van Taiwanese Aboriginals. Er bevinden zich een vijftiental van dergelijke stammen in Taiwan, elk met een eigen taal en cultuur. Lu Yu Cheng koos voor voorbeelden van de Ami, Tayal, Beinan, Tsou en Taroku (waar zij zelf haar roots heeft). Nu eens ingetogen, dan speels en levendig, maar altijd even intens kwamen deze liedjes voorbij. Het tweede deel bestond uit Taiwanese liedjes uit verschillende streken, waarvan de populaire varianten met hun vloeiende melodieën bijna Westers klassiek klonken. Lu Yu Cheng zingt ze in de taal van Taiwan. Dat is het  Hokkien, meer bepaald het Chinees van de Fujian Provincie, verschillend van het klassieke Mandarijn. Het fascinerendste vond ik de snellere stukjes, waarin Azië goed te horen was, vooral dankzij de korte tonen. Hiervan was ‘Tiu Tiu Tang’ een mooi voorbeeld, een liedje dat weergeeft ‘hoe druppels op een trein vallen in een tunnel’. In het prachtige ‘Oiseau en pleurs’ was de pijn werkelijk voelbaar. Dit lied handelt over de Japanse bezetting van Taiwan. Een vogel die zijn nest niet meer terugvindt symboliseert de ellende. Na de pauze kwamen Chinese melodieën met oude teksten aan bod, waarin Lu Yu Cheng schitterde met zuivere, hoge tonen, zoals tijdens het fenomenale ‘C’est moi’. Tenslotte volgden enkele eigentijdse Chinese liederen uit verschillende regio’s. Tijdens ‘La Trousse Brodée’ (de geborduurde tas) deed Lu Yu Cheng met haar podiumuitstraling denken aan de Chinese Gong Linna, ook een klassiek geschoolde zangeres, maar dan binnen het idioom van Chinese zangtechnieken.

‘East and West’: Lu Yu Cheng brengt ze samen voor een aangename ontmoeting!

vrijdag 21 oktober 2011

'Klezmamo' van Klezmamo


‘Klez’ (Klezmer), ‘Ma’ (Marielle) en ‘Mo’ (Monique)

Klezmamo is een jonge Belgische groep. Marielle Vancamp (viool, zang) en Monique Gelders (zang, accordeon) beginnen tijdens een feestje van theatergezelschap Les Baladins du Miroir samen een beetje te improviseren. Het klikt muzikaal en ze besluiten vanuit een gemeenschappelijke voorliefde voor Klezmer een nieuwe groep op te richten. René Stock (contrabas) en Julien Delbrouck (saxofoon, klarinet) worden erbij gehaald en Klezmamo is een feit! Na een aantal geslaagde concerten stelt de groep op 11 juni 2011 een eerste cd voor in Brussel (Muziekpublique). Daarbij kon ik spijtig genoeg niet aanwezig zijn. Ondertussen heb ik het betreffende album met veel plezier beluisterd.

Op deze (titelloze) cd krijgen we vanzelfsprekend een aantal Klezmerdeuntjes te horen, zoals opener ‘Kojak Cocek’, ‘Kolomishka’ en ‘Beim Rebben Tish’. Bij deze traditionele instrumentale nummers treden viool, accordeon en klarinet beurtelings op de voorgrond, maar ze zorgen vooral in hun samenspel voor een frisse sound. Dat geldt ook voor Kalarash van Klezmerpionier Naftule Brandwein.

Klezmamo beperkt zich niet tot één stijl. Met ‘Ajde Jano’ pakken ze bijvoorbeeld een bekend Servisch Balkanliedje aan dat regelmatig opduikt in het repertoire van Klezmerensembles. Hier kan je luisteren naar de versie van de Poolse groep Kroke, met ondersteuning van Nigel Kennedy en zangeres Natacha Atlas. De interpretatie van Klezmamo mag  meer dan geslaagd genoemd worden, Monique Gelders beschikt over een warme, doorleefde stem vol emotie waar een dergelijk liedje nood aan heeft. Op de cd staat één eigen compositie. ‘Le tango clandestin’ (Marielle Vancamp) vloeit mooi over in de Russische tango van ‘Eti tchornie glaza’, een compositie uit de jaren dertig van Oskar Strok, waarbij de zangpartij van Monique Gelders opnieuw de juiste, gevoelige snaar raakt. Hier horen we hoe Pjotr Leshchenko, de 'koning van de Russische tango', dit lied vol weemoed vertolkt. ‘Pe Loc’ en Buciumeana zijn twee korte Roemeense dansen van de Hongaarse componist Bela Bartok. De laatste leidt ons naar de vier livenummers waarmee de cd afsluit en die aantonen hoe Klezmamo de vlam in de pan krijgt met een traditionele Sirba, Yiddisher Charleston, de Jiddische evergreen Bei Mir Bist du Sheyn (heel bekend als populaire hit van The Andrew Sisters) en de oude Klezmerklassieker Ma Yofus.

Het mooiste bewaren we voor het laatst. Dat zijn drie liedjes uit de Joodse, Sefardische (ladino) traditie. 'Adio Querida' (hier gezongen door 'ladino'-diva Yasmin Levy) en Una Matica de Ruda worden allebei bloedmooi gezongen door Monique Gelders. In 'El Rey de Francia' (hier vertolkt door Françoise Atlan) zet Marielle Vancamp vocaal haar beste beentje voor.

‘Klezmamo’ is een uitgave in eigen beheer. Beluister enkele nummers via hun Myspace. Bekijk hieronder een live-impressie en een korte reportage die gemaakt werd door ACTU-TV naar aanleiding van de cd-voorstelling op 11 juni in Zaal Molière.





Klezmamo op Myspace
Marielle Vancamp op Myspace
Contact: klezmamo@gmail.com

zondag 16 oktober 2011

Cheikh Lô @ Zuiderpershuis (Antwerpen)


De Senegalese artiest Cheikh Lô is een geval apart. Hij is niet alleen een ‘Baye Fall’ of volgeling van Cheikh Ibrahima Fall. Deze profeet zorgde voor een eigen ‘filosofie’ binnen de Senegalese islam, waarbij muzikaliteit en spiritualiteit heel belangrijk zijn. Aanhangers onderscheiden zich van de massa door hun kleurrijke kleding en dreadlocks, die in dit geval niets te maken hebben met reggae en de Rastabeweging. Meer info lees je hier. Cheikh Lô valt echter in eerste instantie op doordat hij een heel eigen plaats inneemt binnen het muzikale landschap van Senegal. Daar regeert immers al decennialang ruwe Mbalax. Dat unieke Senegalese muziekgenre palmde vanaf de jaren negentig de thuismarkt in onder impuls van superster Youssou n'Dour. Cheikh Lô roeit tegen deze stroom in. De mbalax klinkt onmiskenbaar door in zijn oeuvre, maar hij verrijkt het genre door er o.a. jazz, afrobeat, Congolese rumba en Afro-Cubaanse stijlen in te verwerken en transformeert op die manier het genre tot een aparte, persoonlijke stijl. Wellicht heeft Cheikh Lô zijn zin voor avontuur ontwikkeld dankzij zijn ervaring als gitarist/percussionist/drummer bij muzikanten van allerlei slag. Het was Youssou n’Dour himself die het eigenzinnige talent van Cheikh Lô in de jaren negentig een duwtje in de rug gaf en hem er eindelijk toe aanzette een solo album op te nemen. Het resultaat was Né la thiass (1996), een verbluffend debuut waarmee Cheikh Lô de wereldmuziekmarkt veroverde. In die periode zagen we hem live op ‘Open Tropen’ zaliger. Een tegenvallend optreden, Cheikh Lô maakte om het zacht uit te drukken een wat slaperige, verdoofde indruk. Ceedeegewijs bleven we gelukkig niet op onze honger zitten. Bambay Gueej (1999) en Lamp Falll (2005) staan opnieuw vol sterke nummers en bevestigen Lô’s zin voor avontuur. Op ‘Lamp fall’ legt hij bijvoorbeeld de link met Braziliaanse stijlen. In 2007 trad hij aan op het Afrikafestival in Hertme. Daar zagen we een vermoeide artiest. Wegens een verlate vlucht arriveerde hij op het nippertje en moest holderdebolder het podium op. De omstandigheden in acht genomen werd het toch een mooi concert. In 2010 verscheen Jamm, misschien wel Lô’s beste cd tot nu toe, vooral omdat de arrangementen zo subtiel en ‘back to basics’ overkomen.

Op zaterdag 15 oktober trad Cheikh Lô op in het Zuiderpershuis. We keken ernaar uit om hem eindelijk eens in optimale conditie bezig te zien. En we werden niet ontgoocheld! Dit was weeral een topconcert dat we aan het lijstje van een rijk gezegend 2011 mogen toevoegen.Om te beginnen had Cheikh Lô een stevige groep bij en hield hij het bij semi-acoustische instrumenten, op zich al een verademing want hoe vaak krijg je de kans om te genieten van mbalax zonder gladde keyboards? Op het podium ontwaarden we zijn zoon Samba N’Dokh (percussie), Ndiaye Badou (drums), Washington ‘Pito’ Rosas (bas), Wilfried Zinsou (trombone en saxofoon) en Cheikh Tidiane Tall (gitaar). De laatste is ook een beroemdheid in Senegal , vooral dankzij zijn samenwerking met Idrissa Diop.

Voor de pauze krijgen we zes nummers voorgeschoteld. De band vliegt er onmiddellijk in met stevige mbalax, gevolgd door een lang uitgesponnen, jazzy afrobeatnummer, inclusief onverwacht hitsige danspartij van Lô. We herkennen vervolgens Il n'est jamais trop tard, een nostalgisch nummer in ouderwetse Congolese rumbastijl. Dit is geen eigen compositie maar een bewerking van Doni Doni (Bembeya Jazz National). Guiss Guiss en M'Beddemi baden in de Afro-Cubaanse sfeer zoals we die van landgenoten Orchestra Baobab gewend zijn, met een glansrol voor de gitaar en sax. Maar de overweldigende percussie en vooral de talking drum zorgen ervoor dat de mbalax er altijd blijft doorschemeren. Deze songs werden naar mijn smaak alleen net iets te lang uitgerokken. Een mooi, ingetogen kabbelend Sou rondt de eerste set af. Ook dit nummer komt uit het repertoire van Bembeya Jazz National (zie hier)

Na de pauze wordt het nog beter. We komen langzaam op temperatuur met de softe mbalax van Jamm. Daarna gaat de (afgeladen) zaal uit de bol tijdens het hypnotisch swingende Dieuf Dieul, in een maxiversie, maar deze keer eentje waar ik maar geen genoeg van kan krijgen. Dat geldt ook voor Bourama, jazzy afrobeat à la Tony Allen, met Cheikh Lô achter het drumstel. Sankara wordt opgedragen aan Thomas Sankara, president van Burkina Faso tussen 1983 en 1987 en o.a. befaamd voor zijn sobere levensstijl. Een kort rustpunt. Daarna keren we drie nummers lang in aangename retrosfeer terug richting Cuba: Warico (een bewerking van een nummer uit 1978 van  Amadou Balaké uit Burkina Faso), Seyni (met een Lô die in het Spaans zingt, waarbij zijn warme timbre helemaal doet denken aan dat van een ‘oude Cubaan’) en Ne Parti Pas (naar Moya van Doh Albert).  Op het eind wordt het tempo nog even flink omhooggedreven tijdens Doxandeme, één van Lô’s eerste hits. Op en top vintage mbalax! Dat geldt ook voor Cheikh Ibra Fall, waarmee Cheikh Lô de bisronde invult. Een eerbetoon aan de gelijknamige profeet dat kan tellen. Een laatste sensuele danspartij krijgen we er als ultieme climax bovenop en dan valt het doek. Memorabel!









Cheikh Lô op myspace
Cheikh Lô op Wikipedia

maandag 10 oktober 2011

Barbara Luna @ Art Base (Brussel)


We waren opgetogen toen we enkele maanden geleden vernamen dat de Argentijnse zangeres Barbara Luna  zou optreden in Art Base. Precies tien jaar geleden liet zij een enorme indruk na met haar album India Morena (2001). In 2002 zagen we haar daarmee aan het werk in het Zuiderpershuis (Antwerpen) n.a.v. het festival Voix de Femmes. Op 'India Morena' staan allemaal sterke composities, voorzien van sprankelend frisse arrangementen. Het geheel baadt in een Andes sausje met o.a. fluit, viool en heerlijke Afro-latin percussie. Na die prachtplaat hoorden we jaren niets meer van Barbara Luna. Ze bracht met Somos (2005) en Ruta Tres (2009) nochtans nog twee aardige albums uit, maar daar kwamen we pas recent bij toeval achter. Barbara Luna zou je muzikaal kunnen omschrijven als een singer-songwriter op zijn Argentijns. Ze schrijft luisterliedjes die thuishoren in de Latijns-Amerikaanse Milonga traditie. Dat is een ritme waaruit later de tango voortkwam en dat daarnaast decennialang verrijkt werd met invloeden van Indiaanse muziek (de Andes), Europese melodieën en Afrikaanse ritmes.

Op vrijdag 7 oktober trad Barbara Luna op in Art Base. Voor de gelegenheid had ze geen muzikanten bij, maar deed ze het helemaal op eigen houtje, met haar gitaar (en haar hondje!). Het was even afwachten of het repertoire van Barbara Luna voldoende variatie biedt om een soloconcert twee uur lang boeiend te houden. Wat meteen opviel is dat deze artieste het niet moet hebben van opmerkelijk gitaarspel, de gitaar dient puur als ondersteuning. Barbara Luna's belangrijkste troeven zijn haar warme stem en vooral de intensiteit waarmee ze haar liedjes vertolkt. De focus lag op songs uit het laatste album ‘Ruta Tres’. Vlotte deuntjes zoals het hitgevoelige Amanece en het ijzersterke ‘Una Noche Mas’ werden afgewisseld met rustige (mid tempo) nummers zoals ‘Alas’ en Me Vuelvo, die veel gevoel voor drama meekregen, maar van overacting was gelukkig nergens sprake. Het mooiste vond ik de interpretatie van Rosas Secas, een indringende ballad uit ‘India Morena’. Barbara Luna had geen probleem om het publiek op haar hand te krijgen, er werd zelfs even meegezongen tijdens ‘En la Habana’ en Vuelve Mi Amor (het enige nummer uit ‘Somos’ dat de set haalde). Barbara Luna woont in Frankrijk, op ‘Ruta Tres’ staan enkele liedjes met Franse tekstflarden waarvan ‘Como je fais’ een geslaagd voorbeeld is. Barbara droeg ook een ontroerend (nieuw?) liedje op aan haar moeder ('Madre, amiga infinita mujer'). Daarnaast fungeerde haar mooie versie van Alfonsina y el Mar - over dromen, droefheid, hoop en al wat we als mens zijn -  als hommage aan Mercedes Sosa. Tijdens de bisronde mocht India Morena vanzelfsprekend niet ontbreken.

Alles bij elkaar genoten we van een geslaagd soloconcert. Barbara Luna is gezegend met een energieke podiumuitstraling en het is moedig dat zij haar composities in deze uitgeklede vorm voor een publiek durft presenteren. Toch moet ik eerlijkheidshalve toegeven dat ik de fijne arrangementen miste, die sommige van haar beste liedjes nodig hebben om ze boven de middelmaat te doen uitstijgen. Bekijk hieronder ‘Vuelve Mi Amor’ en ‘India Morena’ uit een gelijkaardig soloconcert dat Barbara Luna een week eerder gaf in het ‘Maison de l’Amerique Latine’ (Parijs), plus ter vergelijking een live versie van ‘India Morena' met groep en een videoclip van 'Amanece'.









Barbara Luna website
Barbara Luna discografie
Barbara Luna myspace

vrijdag 7 oktober 2011

‘Oriental Express’ van Nara Noïan


'Nara Noïan noemt de piano haar beste vriend. Ze schrijft, componeert, arrangeert, zingt. In het Armeens, Russisch, Frans en Engels. Nostalgie, hoop, speelsheid soms. Wereldmuziek voor een betere wereld.’ (uit: ‘Brussel Deze Week’ van 14/7/2011)

De Armeense Nara Noïan kreeg de liefde voor muziek met de paplepel mee. Ze komt uit een familie van artiesten en begint al als kind met componeren. In Yerevan haalt Nara niet alleen de hoogste prijs aan het muziekconservatorium, ze blinkt eveneens uit in theater. Op 19-jarige leeftijd oogst ze veel bijval met haar rol als het doofstomme meisje in 'Garod' (1990) de negende en laatste film van de Armeense regisseur Frunze Dovlatian. Een grote toekomst als concertpianiste in haar thuisland lacht haar toe, maar door de spelingen van het lot strandt Nara als prille twintiger in Parijs. Dat gebeurt net op het moment dat er een mislukte staatsgreep tegen Gorbatsjov plaatsvindt in Armenië. De Sovjet-Unie spat uiteen en Armenië geraakt tegelijk verzeild in een oorlog met Azerbeidzjan. Terugkeren is op dat moment geen optie.

Na een moeilijke periode in Parijs, verhuist Nara in 1997 naar Brussel. Ze neemt de draad met de muziek opnieuw op, haalt in België een Eerste Prijs aan het conservatorium en richt ‘Le Monde de la Découverte’ op, een artistiek atelier waar kinderen les krijgen in kunst, muziek en theater. Daarnaast verleent ze als beëdigd tolk Russisch en Armeens bijstand aan politieke vluchtelingen.

Het belangrijkste is dat Nara Noïan in Brussel de muziekmicrobe terug goed te pakken krijgt. In 2005 verschijnt het prachtige album Promesses, opgenomen met haar toenmalige groep Bradyaga (vagabond). Die cd wordt uitgebracht door Homerecords. Er volgen nog twee mooie soloalbums: 'Cristal' (2008) en 'Kino' (2010). En deze maand rolt het nieuwe album ‘Oriental Express’ vers van de pers.

‘Deze plaat draag ik op aan de Arabische Lente, die in Tunesië en Egypte met heel veel waardigheid en elegantie is verlopen. Dat heeft me tot in het diepste van mijn ziel beroerd. Ik wilde hulde brengen, vertellen ook over hoe Oost en West elkaar nodig hebben, maar op dit moment een beetje gedesoriënteerd zijn.’

'Oriental Express' is dankzij de sobere aanpak Nara's meest persoonlijke plaat tot op heden. Nara zingt breekbare liedjes met bespiegelende teksten en begeleidt zichzelf op piano. De taal is Armeens, maar de stijl heeft een beetje weg van het betere Franse chanson. De intieme fluistering in het wiegeliedje ‘Lu li la’ doet mij bijvoorbeeld denken aan een Jane Birkin op haar best. De liedjes zijn allemaal meeslepend, of ze nu opgedragen zijn aan haar ouders,  grootouders,  zoontje of haar geliefde piano. Ze gaan over de liefde, vrijheid, schoonheid en waardigheid. Af en toe worden extra instrumenten ingezet. Dat zorgt voor een rijkere sfeerschepping, bijvoorbeeld in ‘Tor Sirem’, mooi ingekleurd door Tigran Ter-Stépanian (gitaar). In het aan haar grootouders opgedragen instrumentale pianostuk ‘Souffle d’Orient’ versterkt de toevoeging van Vardan Hovanissian (Duduk) het gevoel van verstilde weemoed. Een kippenvelmoment! Maar het allermooist vind ik ‘Karama, La Désorientée’, waarop Nara niet alleen ondersteuning krijgt van Moufadhel Adhoum  (ud) en Vardan Hovanissian (duduk). Het is vooral de vocale bijdrage in het Arabisch van niemand minder dan Ghalia Benali die in deze prachtsong heel mooi samenvloeit met Nara’s fragiele stem. Hier krijgen we echt het beloofde Oost-West gevoel. Als er een wereldmuziek top 10 bestond met de beste liedjes van het moment, zou dit nummer voor mij op de eerste plaats prijken!  Ghalia Benali en Moufadhel Adhoum komen nog eens terug voor de knappe afsluiter/titelsong ‘Oriental Express’. Tussendoor horen we een zevental, sprankelende composities voor solo-piano. Dit is klassieke muziek in impressionistische stijl, waarbij de filmbeelden als vanzelf opdoemen. ‘Yerevan’ doet denken aan Erik Satie. Het is waarschijnlijk geen toeval dat zijn Gnossienne no. 1 zo mooi in het geheel geïntegreerd werd.

Nara Noïan bewijst met ‘Oriental Express’ (uitgegeven bij Kak-Media) opnieuw haar grote klasse. Zonde dat ze nog altijd zo onbekend is, zelfs in België. Hopelijk krijgen we binnenkort de kans om haar eens live aan het werk te zien!

'Oriental Express' is te koop via de website van Nara Noïan (zie hier). Je kan de cd ook (legaal) downloaden (zie hier).

Meer info
http://www.nara-noian.com
http://www.myspace.com/naranoian
Nara Noïan op Wikipedia

In het boek Het Draagbare Paradijs  portretteert Gerry De Mol negen wereldzangeressen van bij ons, waaronder Nara Noïan en Ghalia Benali. Zeer lezenswaard!  Bekijk hieronder de videoclip van 'Karama, La Désorientée' en een live uitvoering van ‘Les Ames Immortelles’, een liedje uit het album ‘Cristal’.